De fiscaliteit en pensioen: Naar een nieuw fiscaal pensioenkader?

In dit paper trekken wij een aantal conclusies en formuleren wij een aantal aanbevelingen. De conclusies en aanbevelingen in relatie tot de herziening van het pensioenstelsel in Nederland luiden als volgt:

– Vanuit fiscaal perspectief is de omkeerregel, zeker in relatie tot verplichte en niet-afkoopbare pensioenopbouw, de meest voor de hand liggende inbedding in het inkomensbegrip. Het heffingsmoment sluit immers aan bij de inkomensbeleving van burgers en het eerste moment waarop het uitgestelde inkomen beschikbaar kan worden gemaakt en verteerbaar is. Dit neemt niet weg dat er vanuit economische invalshoek vragen gesteld kunnen worden over de effectiviteit en efficiency van de omkeerregel. Verplichte en niet-afkoopbare pensioenopbouw en het betalen van belasting op het moment dat de pensioengelden beschikbaar zijn of kunnen zijn gaan echter hand in hand. Wil men de omkeerregel afschaffen? Dan ligt het in de rede dat de deelnemer altijd de mogelijkheid krijgt om het pensioen op het moment van belastingheffing te gelden te maken.

– Uitkerings- en premieregelingen worden momenteel fiscaal ongelijk behandeld. Dit vraagt om een fundamentele herziening van het Witteveenkader waarbij niet langer het uitkeringsdenken overheerst maar het premiedenken leidend wordt. Dit is des te meer wenselijk door de herziening van het pensioenstelsel.

– In een nieuw fiscaal kader waar premiedenken de norm wordt, ligt het voor de hand de fiscaal maximale premie op individueel niveau vast te stellen, al dan niet leeftijdsafhankelijk. Dit systeem kan worden toegepast voor zowel premieovereenkomsten als uitkeringsovereenkomsten. Ook biedt het sociale partners relatieve vrijheid om de pensioenregeling naar eigen wens vorm te geven. Ook leidt het tot een betere budgettaire beheersbaarheid voor de overheid en tot een vergelijkbare fiscale behandeling in de tweede en derde pijler waardoor een Arbeidsvormneutraal Pensioenkader kan worden gerealiseerd. Een aandachtspunt bij een gelijkblijvende premie is dat de transitiefase naar het nieuwe pensioenstelsel moeilijk kan worden vormgegeven. Immers, de individuele actuariële premie van 45-plussers is hoger dan de voor iedereen gelijke premie. Bij een overgang naar een vlakke premie komen de 45-plussers dus premie tekort. Dit nadeel kan evenwel worden beperkt door een geleidelijke overgang van de huidige progressieve naar de eventuele uiteindelijke gelijkblijvende premie te realiseren. Op die manier kan naar het nieuwe systeem worden toegegroeid. Daarvoor zijn verschillende denkrichtingen mogelijk, bijvoorbeeld het geleidelijk kantelen van de premiestaffel of het tijdelijk bieden van extra fiscale ruimte (in tweede of derde pijler). Alternatieve vormen voor het bepalen van de fiscaal maximale premie (zoals het natuurlijk maximum en het op collectief niveau bepalen van de maximale premie waarbij de individuele pensioenpremie ongereguleerd is) brengen te veel nadelen met zich.

Daarnaast formuleren wij hierna een aantal conclusies en aanbevelingen welke ook zonder dat het pensioenstelsel wijzigt, toepassing vinden:

– Aan de zogenoemde eventtoetsen bij de 3% beschikbare premiestaffel die tot gevolg hebben dat het bovenmatige deel vervalt aan de uitvoerder ingeval van bovenmatigheid, hoort volgens ons ook de mogelijkheid van bijstorten ingeval van ondermatigheid bij de eventtoets. Immers, bij een lage dekkingsgraad mag fiscaal onbelemmerd worden bijgestort in een uitkeringsregeling. Vanwege het behoud van de balans tussen negatieve én positieve effecten in een premieregeling, is het wat ons betreft echter beter als de plicht om bij een 3%-staffel het bovenmatige deel te laten vervallen aan de uitvoerder, komt te vervallen. De huidige eventtoetsen kunnen komen te vervallen en het slechts eenmalig fiscaal keuren aan de voordeur van de premie is een gewenste verbetering. Dat zou betekenen dat een eventueel ‘overschot’ (bijvoorbeeld vanwege de 100%-toets op pensioendatum) ofwel altijd aan de deelnemer uitgekeerd moet kunnen worden ofwel moet kunnen leiden tot een uitkering die hoger is dan 100% van het laatstgenoten loon.

– De fiscale wetgever zou geen minimale rekenrente waarop de premie in een premieregeling wordt gebaseerd moeten vaststellen maar, net als bij een uitkeringsregeling, dit op marktrente (dan wel een actuele andere maatstaf) moeten baseren. Daarbij is een jaarlijkse aanpassing niet per se nodig maar kan worden gezocht naar een periodieke aanpassing als gevolg van wijziging van de marktomstandigheden. Wij gaan niet in op de vraag op welke wijze deze rekenrente exact vastgesteld kan worden maar kunnen ons voorstellen dat aansluiting wordt gezocht bij bestaande definities.

Netspar, Network for Studies on Pensions, Aging and Retirement, is een denktank en kennisnetwerk, gewijd aan het bevorderen van een beter begrip van de economische en sociale gevolgen van pensioenen, vergrijzing en ‘de oude dag’ in Nederland en Europa.

MEER OVER NETSPAR


Missie en strategie           •           Netwerk           •           Organisatie
Netspar Brief       •          Werkprogramma 2019-2023        •         Onderzoeksagenda Netspar NexT

OVER NETSPAR

Onze partners

B20180327_logo_PGB-Pensioendiensten_grijswaarden
B20160708_aegon
B20160708_maastricht university
B20160708_B20160615_Stichting-van-de-Arbeid-logo
B20160708_radboud
Bekijk al onze partners