“Waar hebben we het precies over en hoe pakt het uit in de praktijk”

Wat is onderzocht in het paper?

Het doel van dit paper is om uit te leggen hoe volgens de Wet toekomst pensioenen (Wtp) de collectiviteit, risicodeling en solidariteit worden ingevuld binnen de Flexibele Premieregeling (FPR) en de Solidaire Premieregeling (SPR). Dit wordt vergeleken met de uitkeringsregelingen onder het oude Financieel Toetsingskader en met individuele premieregelingen. Het paper gaat ook in op de economische en sociale gevolgen, zoals de welvaartseffecten van onvoldoende maatwerk, impliciete herverdeling tussen groepen (bijvoorbeeld door verschillen in levensverwachting of arbeidsongeschiktheidsrisico), en de invloed van gedragseffecten op pensioenkeuzes van deelnemers.

Wat zijn de belangrijkste bevindingen?

In het paper worden vier hoofdthema’s onderzocht: risicodeling, subsidiërende solidariteit, collectieve inrichting en keuzevrijheid. Daarbij is gekeken naar mechanismen zoals het delen van langleven- en inflatierisico, vormen van impliciete herverdeling die voor sommige groepen structureel gunstiger of ongunstiger uitpakken, herverdeling via gezamenlijke reserves, en de mate van gezamenlijke uitvoering, bestuur en besluitvorming.

Zowel de FPR als de SPR bieden mogelijkheden om solidariteit op een transparante en uitlegbare manier vorm te geven. De collectieve uitvoering blijft in beide contractvormen een centrale pijler. In de FPR hebben uitvoerders en deelnemers iets meer ruimte om risicoprofielen te differentiëren, terwijl de SPR intergenerationele risicodeling explicieter organiseert, onder meer via de solidariteitsreserve. Deze reserve kan schokken dempen en vermogens toedelen tussen cohorten, maar kent ook implicaties die niet voor alle groepen noodzakelijkerwijs als ‘voordelig’ of solidair worden ervaren. Een zekere mate van subsidiërende solidariteit blijft in beide contracten bestaan (zoals bij uniforme premies of gezamenlijke reserves). Of deze herverdelingen wenselijk zijn, verschilt per perspectief.

De keuzeruimte in het nieuwe stelsel ligt vooral bij sociale partners en pensioenuitvoerders, die binnen de kaders van de Wtp meer beslissingen moeten nemen over onder meer risicodeling, toedelingsregels en lifecycle-inrichting. Deze extra ontwerpkeuzes kunnen waardevol zijn, omdat zij meer ruimte bieden voor aansluiting op verschillen tussen deelnemers, maar brengen ook complexiteit met zich mee. De individuele keuzevrijheid zelf neemt slechts beperkt toe en blijft voor veel deelnemers lastig te benutten door de bekendere gedragseffecten en de complexiteit van pensioenbeslissingen.

Wat zijn de implicaties?

  • De wet biedt ruimte om collectiviteit, solidariteit en risicodeling beter in te richten, mits beleidsmakers, sociale partners, uitvoerders en toezichthouders deze principes goed vormgeven en adequaat inbedden in de contracten.
  • De toegenomen ontwerpkeuzes voor sociale partners en uitvoerders vragen om een duidelijke en consistente inrichting van standaardopties, zodat deelnemers (voor wie de individuele keuzevrijheid beperkt blijft) op een begrijpelijke manier worden ondersteund bij complexe pensioenbeslissingen.