“80 procent van de deelnemers heeft een risicopreferentie die afwijkt van een constante gamma”

Wat is onderzocht in het paper?

In dit paper wordt onderzocht of de risicoaversie van pensioendeelnemers (uitgedrukt als gamma) onafhankelijk is van het inkomensniveau. Pensioenuitvoerders zijn verplicht om de risicopreferentie van hun deelnemers uit te vragen. Een veelgebruikte aanname hierbij is dat deze risicopreferentie niet afhangt van het inkomensniveau van de deelnemer. Uit de beleggingstheorie weten we dat je heel anders moet beleggen bij inkomensafhankelijke risicopreferenties. Dit paper onderzoekt of de veronderstelling klopt dat de risicoaversie inderdaad hetzelfde is voor lage en hoge inkomensniveaus. Daarnaast is onderzocht of een eventueel niet-constante gamma wordt veroorzaakt doordat deelnemers een bestaansminimum meenemen bij het bepalen van hun risicoaversie.

Wat zijn de belangrijkste bevindingen?

Uit de resultaten blijkt dat als je alle gegevens op één hoop gooit, de risicoaversie gemiddeld hetzelfde is voor lage en hoge inkomens. Voor individuele deelnemers blijkt dit echter geheel anders te liggen. Maar liefst 80 procent van de onderzochte deelnemers is bij een hoger inkomen méér – of juist minder – bereid om risico’s te nemen. De onderzoekers vinden echter geen overtuigend bewijs dat die afwijking van een constante gamma voortkomt uit het feit dat de meeste deelnemers een bestaansminimum in hun risicovoorkeur betrekken.

Wat zijn de implicaties?

  • Pensioenuitvoerders doen er goed aan om aannames over de risicopreferentie van hun deelnemers te onderzoeken. Bij een sterke inkomensafhankelijkheid past een ander (type) beleggingsbeleid dan bij een constante gamma.
  • Pensioenuitvoerders staan voor de keuze om hun beleggingsbeleid te baseren op gamma’s die zijn berekend mét of zonder de AOW. Als de gemiddelde gamma mét AOW relatief gelijk is over inkomens, dan ondersteunt dat een constante risicoaversie. Maar in dat geval zou er voor lage inkomens meer beleggingsrisico moeten worden genomen in het aanvullend pensioen omdat de AOW, die immers zo goed als risicovrij is, een groter deel van hun totale pensioen uitmaakt. Is de gamma zonder AOW min of meer gelijk voor lage en hoge inkomens, dan fungeert de AOW als bestaansminimum en kan een uniform beleggingsbeleid volstaan.