Opleidingsverschillen in sterfte en gezondheid en implicaties van de verdere uniforme stijging van de AOW-leeftijd
Design Paper 250
Wat is onderzocht in het paper?
Het onderzoek richt zich op de effecten van de verhoging van de AOW-leeftijd in Nederland, die gekoppeld is aan de toenemende levensverwachting. Het huidige beleid houdt echter geen rekening met verschillen in gezondheid en levensverwachting tussen sociaaleconomische groepen. In dit paper wordt bestudeerd hoe deze verhoging ongelijk uitwerkt voor mensen met verschillende opleidingsniveaus.
Wat zijn de belangrijkste bevindingen?
De resultaten laten zien dat voor alle opleidingsniveaus de resterende levensverwachting (gemeten op 65-jarige leeftijd) waarschijnlijk verder zal stijgen, waarbij de laagopgeleiden de stijging van hoogopgeleiden niet zullen bijhouden. De verwachtingen voor laagopgeleide vrouwen zijn het minst gunstig. De nadelige effecten die laagopgeleiden nu al ervaren ten gevolge van de uniforme verhogingen van de AOW-leeftijd zullen naar verwachting in de toekomst nog groter worden. Zo wordt voor laagopgeleide mannen en vrouwen verwacht dat het aantal jaren dat zij slechte gezondheid ervaren voordat ze de AOW-leeftijd bereiken, in 2030 zal zijn opgelopen tot 6 jaar. Hoogopgeleiden houden zelfs nog gezonde jaren over ná hun pensionering.
Wat zijn de implicaties?
De huidige koppeling van de AOW-leeftijd aan de gemiddelde levensverwachting is vooral nadelig voor lager opgeleiden. Dit roept vragen op over de rechtvaardigheid van het huidige pensioenstelsel. Het variëren van de pensioenleeftijd en een meer flexibele benadering van het pensioenbeleid kunnen helpen om de gevolgen van ongelijkheid in gezondheid en levensverwachting te aan te pakken. De onderzoekers pleiten voor vervolgonderzoek dat in kaart brengt welke mogelijkheden en instrumenten er zijn om verschillen inlevensverwachting en gezondheid te adresseren in de AOW- en pensioenwetgeving. Dat vraagt om een multidisciplinaire aanpak, waarin zowel gezichtspunten vanuit juridisch, ethisch, arbeidsrechtelijk, volksgezondheidskundig, demografisch, actuarieel en financieel perspectief worden meegenomen.