“Huishoudens besteden tijdens hun pensioen steeds minder, terwijl financiële problemen niet toenemen. Dat wijst op veranderende behoeften en voorkeuren, niet op een tekort aan pensioeninkomen.”

 

Wat is onderzocht in het paper?

Dit onderzoek analyseert hoe huishoudelijke uitgaven zich ontwikkelen gedurende de levensloop, met bijzondere aandacht voor de pensioenjaren. De auteurs gebruiken longitudinale Nederlandse gegevens uit het LISS-panel over de periode 2009–2021, waarmee dezelfde huishoudens door de tijd gevolgd kunnen worden. Hierdoor kunnen leeftijdseffecten worden onderscheiden van cohortverschillen en andere vaste kenmerken van huishoudens. In de analyses wordt gecontroleerd voor onder meer inkomen, arbeidsmarktstatus, gezondheid, huishoudsamenstelling en woningbezit. Daarnaast worden uitgaven uitgesplitst naar verschillende categorieën om beter te begrijpen welke factoren de ontwikkeling van totale bestedingen verklaren. De studie is uitgevoerd in de context van de Wet toekomst pensioenen en discussies over de inrichting van de uitkeringsfase.

 

Wat zijn de belangrijkste bevindingen?

Huishoudelijke bestedingen vertonen een duidelijk bultvormig patroon: zij stijgen tot middelbare leeftijd en dalen vervolgens vanaf ongeveer 55 jaar. Deze daling zet door gedurende de gehele pensioenperiode en blijft bestaan nadat rekening is gehouden met inkomen, pensioenstatus, gezondheid, huishoudsamenstelling en andere factoren. De afname bedraagt uiteindelijk circa €1.500 per maand tussen jonge volwassenheid en zeer hoge leeftijd. De daling komt voor in alle inkomens- en opleidingsgroepen en gaat niet samen met meer betalingsproblemen. Belangrijke bijdragen aan de daling zijn lagere hypotheekuitgaven en minder uitgaven aan vakanties, kleding, vervoer en voeding. Sommige diensten, zoals schoonmaak- en tuinonderhoud, nemen juist licht toe. Uitgaven aan medische zorg stijgen niet significant.

 

Wat zijn de implicaties?

  • Een strikt vlak pensioenuitkeringsprofiel sluit mogelijk niet goed aan op de feitelijke ontwikkeling van consumptiebehoeften tijdens pensionering.
  • Meer flexibiliteit in de uitkeringsfase, bijvoorbeeld via een hoog-laagconstructie of een beperkte lumpsum bij pensionering, kan beter aansluiten bij het waargenomen bestedingspatroon.
  • Discussies over pensioenadequaatheid zouden niet uitsluitend moeten uitgaan van koopkrachtbehoud op hoge leeftijd, maar ook rekening moeten houden met veranderende consumptiebehoeften.
  • Verdere analyses zijn nodig om de welvaartseffecten van alternatieve uitkeringsprofielen binnen het pensioenstelsel nauwkeurig te bepalen.