“Beheerders van pensioenregelingen kunnen beleggingsstrategieën alleen afstemmen op de risicovoorkeuren van pensioendeelnemers als die voorkeuren meetbaar zijn”

Wat is onderzocht in het paper?

Het doel van het artikel is om drie methoden te vergelijken voor het meten van de risico-aversie van pensioendeelnemers. Deze methoden worden vergeleken op basis van: de mate van risico-aversie die zij tonen, de manier waarop de risico-aversie overeenkomt met de voorkeuren van de deelnemers, en de implicaties voor beleggingsbeslissingen in de pensioenregelingen. De onderzochte methoden zijn: het Pension Builder-instrument, de Multiple Lottery Choices-methode en de Choice Sequences-methode.

Wat zijn de belangrijkste bevindingen?

De resultaten laten aanzienlijke verschillen zien in de gemiddelde niveaus van risico-aversie bij gebruik van de drie methoden. Het Pension Builder-instrument toont gemiddeld een hogere risico-aversie dan de Choice Sequences- en Multiple Lottery Choices-methoden. De twee laatstgenoemde methoden leveren vergelijkbare resultaten op. De correlatie tussen de risico-aversieniveaus van de drie methoden is laag. Bovendien vertalen de verschillen zich door naar economisch betekenisvolle verschillen in beleggingsstrategieën van pensioenfondsen. Deelnemers geven aan zowel meer tevreden te zijn als een sterkere overeenstemming met hun voorkeuren te ervaren bij het gebruik van het Pension Builder-instrument in vergelijking met de andere twee methoden.

Wat zijn de implicaties?

  • Welke methode wordt gebruikt voor het meten van risico-aversie bepaald voor een groot deel de
    uitkomsten.
  • Presentatiekenmerken en/of cognitieve processen zijn mogelijke oorzaken van de grote verschillen in de gemeten risico-aversieniveaus tussen de methoden.
  • Een dieper inzicht in de oorzaken van deze verschillen zou kunnen helpen bij het doorontwikkelen van methoden om de risico-aversie van pensioendeelnemers te meten.