Het meten van risicocapaciteit

In het recent afgesloten pensioenakkoord zijn afspraken gemaakt over onder andere een nieuw pensioencontract (zie Ministerie van Sociale Zaken en Wekgelegenheid, 2020). Er zal ernaar worden gestreefd dat deelnemers hetzelfde pensioenniveau als nu kunnen blijven behalen. Verplichtstelling van pensioenregelingen blijft ook behouden en pensioenfondsen blijven pensioenregelingen collectief uitvoeren en beleggen. Het pensioeninkomen zal in principe afhangen van het rendement op het ingelegde premies en zal derhalve directer meebewegen met de ontwikkeling van de economie. Te grote schommelingen in het pensioenresultaat zal echter worden opgevangen door middel een collectieve solidariteitsreserve dat wordt gevuld uit premies en overrendement. In het nieuwe pensioen is dus sprake van intergenerationele risicodeling.

In het pensioenakkoord is afgesproken dat ouderen minder risico zullen krijgen toebedeeld dan jongeren. Een kernvraag is hoe het beleggingsbeleid (WVP) of de toedeling van overrendementen (nieuwe pensioencontract) in te richten  per groep deelnemers. Indien men uitgaat van een zeker arbeidsinkomen dat constant is gedurende het werkzame leven, en abstraheert van ander inkomen (van o.a. een partner en van het vrije (huis)vermogen dat door huishoudens zelf wordt opgebouwd), dient het pensioenfonds volgens standaard beleggingstheorie de strategie van ‘life cycle beleggen’ te volgen: Ten opzichte van ouderen dient het pensioenvermogen  van jongere deelnemers dan relatief meer belegd te worden in ‘risky assets’ omdat de contante waarde van het resterende arbeidsinkomen (Human Capital) groter is dat van dat van oudere deelnemers. Met andere woorden, jongeren hebben meer ‘risicocapaciteit’ dan ouderen. De risicotolerantie bepaalt dan hoeveel extra beleggingsrisico een pensioenfonds ten behoeve van de jongeren dient te nemen (zie bijv. Bovenberg et al., 2007; en Teulings en de Vries, 2006).   In dit project gaat het niet  over het meten van risicotolerantie (zie daarvoor het Topicality project van Riedl e.a.) maar  over verschillen in risicocapaciteit als gevolg van leeftijdsverschillen bij andere veronderstellingen dan risicovrij constant toekomstig arbeidsinkomen  en om andere verschillen dan in arbeidsinkomens. Te denken valt aan vrije vermogen, huizenbezit, inkomen en pensioen van de partner.  We zullen de volgende vragen onderzoeken:

  1. Welke andere maten van risicocapaciteit van het resterende arbeidsinkomen van die deelnemer zijn denkbaar en relevant als de veronderstelling van risicovrij constant arbeidsinkomen wordt losgelaten? Wij kunnen hier bijvoorbeeld denken aan carrière effecten, part-time werk, slapers en onzeker arbeidsinkomen.
  2. Welke andere maten van risicocapaciteit dan de waarde van het arbeidsinkomen zijn denkbaar en relevant? Wij kunnen hier bijvoorbeeld denken aan de waarde van het vrije financiële vermogen van huishoudens, de netto waarde van het huis (na aftrek van de hypotheekschuld), overig inkomen van het huishouden (de contante waarde van het resterende arbeidsinkomen of pensioeninkomen van de partner van de deelnemer).
  3. Welke welvaartseffecten heeft een foutieve inschatting van de risicocapaciteit?

Netspar, Network for Studies on Pensions, Aging and Retirement, is een denktank en kennisnetwerk. Netspar is gericht op een goed geïnformeerd pensioendebat.

MEER OVER NETSPAR


Missie en strategie           •           Netwerk           •           Organisatie           •          Magazine
Netspar Brief            •            Werkprogramma 2019-2023           •           Onderzoekagenda

OVER NETSPAR

Onze partners

B20160708_university of groningen
B20160615_pggmgroengrijs_grijswaarden_small
B20160708_universiteit utrecht
B20160708_cardano
B20160708_afm
Bekijk al onze partners