Samenvatting

In de vernieuwde tweede pijler in Nederland staat vermogensopbouw centraal, met als doel een levenslange uitkering na pensionering. Deze opbouw volgt een leeftijdsafhankelijk beleggingsbeleid: jongeren nemen meer risico, ouderen krijgen meer bescherming, in lijn met de inzichten van de lifecycle-theorie. De nieuwe contractvormen – de solidaire premieregeling (SPR) en flexibele premieregeling (FPR) – geven elk op eigen wijze invulling aan collectiviteit, risicodeling en keuzevrijheid. De Wet toekomst pensioenen (Wtp) markeert de definitieve overgang van nominale uitkeringsgaranties naar premiegedreven, variabele uitkeringen. Daarmee verschuift het beleggings- en renterisico expliciet van uitvoerders naar deelnemers, die voortaan (in meer of mindere mate) kunnen doorbeleggen na pensioendatum.

Hoewel de overstap van uitkerings- naar premieregelingen een fundamentele verandering betekent, blijven de naoorlogse kernwaarden van de Nederlandse tweede pijler behouden: verplichte deelname, collectieve uitvoering en levenslange uitkering. In dit hoofdstuk laten we zien hoe deze waarden na 1950 vorm hebben gekregen; eerst in eindloon- en middelloonregelingen en vanaf 2023 in de nieuwe premieregelingen.